“Lisette, Lisette,” mijn vader fluistert huilend mijn naam. Ik was al een beetje wakker, maar was zo in gedachten dat ik hem niet de trap op heb horen komen. Het is één dag voor mijn twaalfde verjaardag en ik was het lijstje in mijn hoofd aan het maken met wat we gingen doen. We zouden eerst boodschappen doen, daarna alles versieren en klaarzetten voor morgen. Als alles klaar gezet was, zouden we nog naar het ziekenhuis gaan om even bij opa te kijken. Hij zou dit keer niet bij mijn verjaardag zijn. Dat vonden we allebei erg jammer, maar volgend jaar zou hij er wel weer zijn, had hij gezegd.
Opa lag nog niet zo lang in het ziekenhuis. Pas gistermiddag was opa opgenomen en gisteravond waren we met de hele familie even bij hem langs gegaan. Ik had een mooie tekening gemaakt, zodat hij snel beter zou zijn. Hij vond hem ook mooi en had hem geprikt op het kurkbord achter zijn bed bij zijn hoofd. Dan kon hij hem meteen zien als hij wakker zou worden, zei hij.
De sfeer in het ziekenhuiskamertje was anders dan andere keren als de familie bij elkaar was. Iedereen leek wel nerveus alsof alle volwassene al iets wisten wat ik niet wist. Ik begreep er weinig van. Natuurlijk is het niet fijn dat opa geopereerd moest worden, maar het zal toch wel goed komen? Hij is mijn opa en hij was eigenlijk nooit ziek.
Ook opa was nerveus, dat hoorde ik niet alleen aan zijn stem, maar hij maakte zich ook druk om iets waar hij zich anders nooit druk om zou maken.
“Nu heb ik wel een t.v. maar ik weet niet wat er speelt op de zenders. En dan weet ik niet wat ik moet kijken.” zegt opa nerveus. “Pa, je hebt toch je krant.” Maarten, mijn oom, heeft het antwoord voor hem. “Dan kijk je toch daarin wat er draait.” “Oja,” opa kijkt naar de krant maar doet er niets mee “ja, dat is ook zo.”
Dan komt de zuster binnen en moeten we weg; het bezoekuur is voorbij. Ik zwaai nog even naar opa, maar hij zwaait niet terug. Het is te druk met iedereen om hem heen. ‘Ach,’ denk ik nog ‘maakt niet uit. Ik zie hem morgen weer.’
Eenmaal thuis moest ik naar bed en nu, nog geen 12 uur later, hoor ik mijn vader mijn naam fluisteren. En zonder hem te hebben gezien, weet ik dat hij huilt. Ik heb mijn vader eigenlijk nooit eerder zien huilen, bedenk ik me meteen. Ik doe mijn ogen open en zie mijn vader op zijn knieën met zijn hoofd in zijn handen leunend op mijn bed.
“Hij is er niet meer. Hij heeft het niet gered.” Snikt hij. Ik zie de woorden bijna voor mij staan in de lucht maar besef het niet goed. Over wie hebben we het? We gaan toch boodschappen doen voor mijn verjaardag en alles klaarzetten? Wat is er aan de hand?
Mijn vader zo hangend op mijn bed en deze woorden. Ik snap het niet en het wil ook niet tot mij doordringen. Zonder er over na te denken aai ik mijn vader over zijn rug. Ik heb hem nog nooit zo reddeloos gezien. En terwijl ik over de rug van mijn vader aai, groeit er een angst in mij die zich steeds meer om mijn hart vastgrijpt. Ik kan het niet stoppen en ademen wordt steeds moeilijker.
“Opa is er niet meer. Hij is overleden.” Zegt papa dan. En dan begrijp ik het pas. Hij heeft het over opa. Papa haalt zijn handen voor zijn gezicht weg en kijkt mij aan met zijn betraande gezicht. Ik heb nog geen traan gelaten en voel ook niet dat ze eraan komen. Wel lijkt mijn hart omsloten door een donker gevoel van angst. Mijn hoofd probeert van al die zinnen iets te maken maar ik stuit op een stuk onbegrip. Ik moet weten wat hij precies bedoelt. Want als je in het ziekenhuis bent, dan maken ze je beter. En daar is hij toch? Hoe kan hij dan dood zijn? In mijn hoofd kom ik er niet uit. Ik heb meer informatie nodig. Informatie die ik begrijp.
“Maar opa is toch in het ziekenhuis?” vraag ik en daarmee bedoel ik dat hij toch niet dood kan zijn want dat doen dokters in het ziekenhuis niet. “Ja, daar is hij nog. Gisteravond is hij geopereerd, maar toen na de operatie zijn hart het zelf moest toen…” zijn stem hapert. Hij ademt een paar keer diep in en vervolgt dan “Zijn hart kon het niet zelf. Ze hebben hem nog geprobeerd te reanimeren maar het is niet gelukt.”
Ik kijk nog steeds vol onbegrip naar mijn vader. Dit kan toch niet? Dit kan niet het antwoord zijn op mijn vraag. Maar voordat ik nog een keer dezelfde vraag kan stellen, herhaalt mijn vader nogmaals de woorden die dan pas tot mij doordringen.
“Opa is dood.”
Op dat moment breekt de angst, samen met mijn hart, in duizend stukjes. Verdriet vult mijn gehele lichaam en dan komen de tranen. Mijn hand ligt nog op de rug van mijn vader maar beweegt niet meer. Het lukt me niet om troost te bieden omdat ik nu diegene ben die getroost moet worden. De tranen vallen nu op mijn pyjama en ik kan ze niet meer stoppen.
Mijn mooie lijstje dat ik nog geen 5 minuten hiervoor in mijn hoofd had gemaakt om vandaag te doen, verscheur ik denkbeeldig samen met het blije gevoel dat ik toen erbij had. Verdriet is het enige wat er nu nog is.