Het begon met een appje. “Ik heb vrijkaartjes gewonnen voor een dansfestival. Ga je mee?” Inge zat al in de startblokken. Enthousiast appte ik terug: “JAAAA!”. Maar op dat moment kon ik nog niet weten dat deze vrijkaartjes de deur zouden openzetten naar een nog véél onverwachter bericht.
We stapten het terrein op, de muziek kwam uit alle hoeken, de mensen stonden in groepjes of wurmden zich overal tussendoor. Wij ook. We dansten, we lachten, we zwierven rond. Was de ene dj minder, dan schoven we door. Na twee nummers gloeide mijn hoofd al rood. Van de zon, van de inspanning, het maakte niet uit. Het ging niet om mooi bewegen of perfecte timing, het ging om plezier. Om even niets te hoeven.
Nog vrolijk van de laatste set, liepen we door naar de volgende stage. Toen hoorde ik ineens mijn naam.
“Femke?”
Ik draaide me om en keek in bruine ogen die ik kende uit een ander leven. Ineens werd ik overvallen door warme herinneringen. Koprollen over het gras. Bord spaghetti bij haar thuis, saus rond onze monden. Fietsen naar school. Woensdagmiddag patat van Henk, zout op onze lippen. Kletsen. Heel veel kletsen.
“Roza?”
Even stonden we bevroren tegenover elkaar. Twee vrouwen, allebei iets over veertig jaar. Geen tranen, geen dramatiek. En toen ineens een stevige omhelzing, die alle tijd in één keer overbrugde. Nog een omhelzing, naar elkaar kijken, en nóg een knuffel, omdat twee niet genoeg was voor een half leven zonder elkaar. Inge stond naast ons met een brede glimlach.
“Ik blijf bij jullie tot ik zeker weet dat jullie telefoonnummers hebben uitgewisseld. Jullie mogen elkaar niet nóg eens kwijtraken,” zei ze. Precies dat.
Roza en ik waren ooit beste vriendinnen. Basisschooltijd. Zij was twee jaar ouder dan ik, gevlucht uit een ander land. Ze werd in een lagere groep geplaatst om Nederlands te leren. Mijn groep. En Nederlands, dát sprak ze. Roza was niet op haar mondje gevallen. We fietsten elke dag samen. Regen, wind, alles werd lichter naast haar. We kletsten over álles. Eten, jongens, familie, school. Maar niet over haar jeugd in een oorlogsgebied.
Toen mocht ze onverwacht een klas overslaan. Ineens zat ze op de middelbare school, terwijl ik achterbleef in onze klas. We raakten elkaar voor de eerste keer kwijt.
Jaren later kwamen we elkaar weer tegen. Zij werkte in de enige pizzeria van het dorp, en tipte me dat ze iemand zochten. Mijn eerste bijbaan begon met haar vertrouwen. We werden weer vriendinnen. Volwassener, stoerder, vrijer. Ik durfde het niet te zeggen, maar ik keek echt tegen haar op. Zij kon zó goed met iedereen opschieten, grappen maken, advies geven. Iedereen luisterde écht naar haar. En opnieuw, zoals dat gaat, nam het leven een bocht. Haar ouders verhuisden naar de andere kant van het land. Zij ging mee. Ik bleef achter in het dorp. We hadden nog geen social media. Hyves en Facebook stonden nog in de kinderschoenen, sms’en was te duur. We raakten elkaar weer kwijt. Twee keer moesten we elkaar loslaten, zonder daar zelf voor te kiezen.
Jaren heb ik naar haar gezocht. Roza ook naar mij, zou later blijken. Maar onze namen gingen op in de massa van online zoekresultaten. En onze social-mediaprofielen waren privé. Soms hoorde ik de stem van mijn moeder, die altijd al bezorgd was geweest of het leven haar niet te hard zou raken. Niet omdat Roza zwak was, maar juist omdat ze sterk was, een vrije geest, en al zo vroeg volwassen moest zijn. Ze regelde zaken voor haar ouders, ze was als kind al de brug tussen werelden. Ze had lef. Als er iets onrechtvaardigs gebeurde, trok zij haar mond open. Zou dat wel passen als ze met een man zou trouwen uit een traditionele cultuur? Ik keek tegen haar op en vroeg me af hoe ze het later zou redden. Niet vanuit angst, maar vanuit genegenheid voor mijn beste vriendin.
Nu stonden we weer samen, voor de derde keer in ons leven. Mijn hoofd was nog steeds rood, de bas dreunde als hartslag op de achtergrond. We zochten elkaar nu met woorden. Geen chronologisch jaaroverzicht, wel ankers. Werk. Verhuizingen. De mensen die bleven, de mensen die wegvielen. We liepen naar de rand van het veld waar praten makkelijker was.
“Wat een geluk dat Inge die vrijkaartjes heeft gewonnen,” zei ik. “Mijn vriendin had ook het geluk dat ze vrijkaartjes won,” zei Roza. “En dit onverwachte weerzien met jou maakt me blijer dan je denkt.”
Ze vertelde zonder omwegen. Het was pittig geweest. Ze was nu gescheiden, maar gezien alles wat daaraan vooraf ging, is het goed zo. Ik hoorde de kracht in haar stem, maar de lijntjes bij haar ogen tonen sporen van verdriet. “Ik ben onwijs trots op mijn dochter,” zei ze, en haalde haar telefoon tevoorschijn. Ze liet een foto zien. Een open blik, mooi lang haar, een grote glimlach. Een meisje dat je direct in je hart sluit. En net zo knap als haar moeder vroeger was. Ik voelde mijn mondhoeken omhoog gaan. Niet om het uiterlijk, maar om de kracht die ze heeft doorgegeven aan haar dochter.
Inge keek mee en knikte alsof ze het al jaren wist. Ze was oprecht blij voor ons: “En nu jullie nummers uitwisselen!” riep ze met een glimlach. Roza en ik gehoorzaamden, blij dat Inge ons scherp hield tijdens deze bijzondere ontmoeting. Toen gingen we weer uit elkaar. Roza haalde een drankje met haar vriendin, Inge en ik doken weer de muziek in.
Op weg naar huis dacht ik aan die twee momenten dat we elkaar kwijtraakten. Je denkt dat je iemand wel weer tegenkomt, en dan dooft het spoor. Tot er jaren later een bericht binnenkomt dat niets met haar te maken heeft. Vrijkaartjes, gezelligheid, een plan voor een zaterdag. En toch zit zij erin verstopt, alsof het universum een papiertje met haar naam in mijn jaszak schoof en ik het pas op de dansvloer vond.
Dit is geen toeval dat ik wil verklaren. Het is een herinnering aan hoe vriendschap zich gedraagt. Wij zijn geen meisjes meer. We zijn vrouwen die hun eigen verhaal dragen, met onze eigen krassen, trotse momenten en glans. We zijn uit elkaar gegroeid, maar begrijpen elkaar nu beter dan ooit. En binnenkort gaan we terug naar de pizzeria, in het dorp waar alles begon. Hoewel we misschien nooit meer zulke goede vriendinnen worden als vroeger, weten we één ding zeker: we laten elkaar niet nog een keer los.