‘Goede morgen, jij moet dus Arie zijn, je ziet er goed uit voor een boer van 67 jaar. Ik ben Cassandra, baronesse van geboorte. Fijn dat je de moeite hebt genomen om op mijn advertentie te reageren. Je brief stak er met vlag en wimpel bovenuit, prachtig handschrift en dat voor een boer of moet ik agrariër zeggen? Je zal niet veel van de wereld hebben gezien! Ik vind het zó leuk dat we samen op cruise vakantie gaan. Jij zult het vast een zeker een vaartochtje noemen, vermoed ik.’
‘Een hete aardappelstem, dat gaat wat worden,’ had hij gelijk gedacht.
Hij was verbouwereerd geweest, wat een verschijning. Haar kleding was bepaald niet op de markt gekocht. Alles klopte, van nagellak tot schoenen. Haar haar was óververzorgd. Hij had met een mond vol tanden gestaan en het Amstelhotel, waar ze hadden afgesproken, was nou niet dé plek waar hij dagelijks kwam. Hij had zijn ogen uitgekeken, ogen te kort gehad. Voordat hij er erg in had, had zij met een knipgebaar de aandacht van een ober op zich weten te vestigen. Hier was zijn eerste ergernis begonnen, realiseerde hij zich achteraf.
Het duurde even voor het koffiebuffet werd uitgeserveerd en ondertussen rebbelde zij over alles en niets. ’n Verhaal? Hij kon zich er niets meer van herinneren. Hij had rondgekeken, ja, hij was onder de indruk geweest van zoveel luxe. Door de ober schrok hij uit zijn mijmeringen. De man, keurig in uniform, witgehandschoend, boog als een knipschaar, zette een glimmende kan op het tafeltje, rangschikte de schaaltjes met lekkernijen op kleur. Eerst het witte, daarna de melk en als laatste de diepzwarte chocolade. De tafel was te klein, de diverse cakes, gevulde bonbons, diverse likeuren werden op een ander tafeltje gezet.
‘Dank je wel, garçon’ zei Cassandra. Hij ziet haar nog naar hem toebuigen. ‘Zo’n man is een garçon, daar heb je zeker nog nooit van gehoord, hè Arie? Trouwens, je mag me voortaan wel Sandra noemen, hoor!’ zei ze quasi vertrouwelijk. ‘Tast toe, Arie, of moet ik je helpen? Ik weet namelijk hoe het heurt. Wil je eerst een likeurtje?’
Hij voelde zich als een gevangene, hij voelde zich gegijzeld, door al die overvloed. Maar de kluts was hij niet kwijtgeraakt. Het zou een koud kunstje zijn geweest om zich vol te proppen en vol te laten lopen maar daar was hij te veel boer voor, te nuchter.
Uit het niets riep ze: ‘Wat heb jij enorm grote, grove handen, echte werkhanden en daar kun jij zo mooi mee schrijven? Ik ben gek op grote handen, daar ben ik op gevallen. Moet je mijn handen zien! Gelakt, gepimpt. Tere, zachte handjes.’ Ze had haar geringde vingers gespreid onder zijn ogen geschoven zodat hij wel moest kijken.
Opeens overzag hij zijn situatie. Hij zat tegenover een vrouw ‘baronesse’ die alle decorum aan het verliezen was. Het ene na het andere glaasje likeur werd volgeschonken (nog voor de garçon de kans kreeg) en ingenomen. Het tempo steeg met het aantal geleegde glaasjes. Als ze niet dronk dan probeerde ze me vragen te stellen. Was haar spraak eerst nog verstaanbaar en haar vragen binnen de beleefdheidszone als snel was er geen touw meer aan vast te knopen. Hij had nog wel flarden van woorden opgevangen: ‘Rijk geworden, erfenis, nooit gewerkt, van adel, het werkend volk. Alles is me toegewaaid, geboren met een gouden lepel. Zoveel geluk in mijn leven gehad en toen dacht ik: ‘Ik moet iets terugdoen voor het gewone volk. Noblesse oblige, maar die laatste twee woorden zul je wellicht niet begrijpen. Geef niks hoor, Arie.’
Hij had zich geschoffeerd gevoeld.
‘Ik moet nú een beslissing nemen. Ga ik met dat mens het schip in of zal ik haar een poepie laten ruiken? Ik ben tenslotte een boer. Ga ik met dit mens in zee, of blijf ik bij mijn lieve vrouw Bep?’
Zij was het die me stimuleerde om op de contactadvertentie te reageren.
‘Je hebt nu de tijd, Arie, je hebt altijd al eens een cruise willen maken dus wat let je? ‘t Is gratis!!!!’
‘Bij het woord gratis krijg ik altijd een unheimisch gevoel, Bep.’
‘Het is maar voor één week. Je weet dat ik niet van vakantie hou. Gewoon doen, joch.’
Zo had ze me aangemoedigd en had ze gezegd: ’t Is ook nog goed voor onze zoon. Hij kan laten zien dat hij zijn bedrijf in z’n eentje kan runnen.’
Sinds een half jaar had hij zijn boerenbedrijf overgedaan aan zijn zoon.
Hij stond op, dankte beleefd voor het aangenaam verpozen. Weg van dat mokkel met haar denigrerende opmerkingen. Maar toen sloegen de stoppen bij haar door. Hij had wel eens een dolle stier meegemaakt maar dit was vele malen erger. Ze kroop bijna over de vloer waarbij ze op een merkwaardige manier haar hoofd vasthield. Zij sméékte hem om mee te gaan, het schuim vloog van haar rood gestifte lippen. En dat alles ging gepaard met heftig armgezwaai. Haar gezicht veranderde in een monsterachtig masker. God, wat was dat een gênante vertoning. Er werd door de gasten geïrriteerd naar ons gekeken maar dat werd door de baronnesse totaal niet opgemerkt. Hij was de glimlachende toeschouwer geweest. Hij wist nu wat voor vlees hij in de kuip had. Kouwe kak. Hij zou haar laten voelen wat warme kak was.
‘Alles is al geboekt. Ik verlies al het geld. Ik ben vergeten om een annuleringsverzekering af te sluiten. Ik ga me netjes gedragen.’ Beteuterd zei ze: ‘Ik weet best wel ‘hoe ’t heurt.’ Weer hoorde hij die vreselijke hete aardappelstem. Het monster veranderde in een verwend kind.
’Als jij maar niet mijn enige voorwaarden bent vergeten: ieder een eigen hut.’
‘Nee, echt niet, dat is allemaal heel goed geregeld, lieve Arie!’
Ja, hij had medelijden met haar gekregen. Hij had zich voorgenomen er een mooie tijd van te maken en hij had een plan, hij wist alleen nog niet hoe!
Zo ontmoetten zij elkaar op de afgesproken datum en tijd, op de afgesproken kade. Ze stapte uit de taxi. Achter de taxi stopte een busje. Hij zag een belachelijke hoeveelheid aan koffers uit dat busje komen.
‘Hé Ááárie, riep ze en weer knipte ze in haar vingers, ‘til jij die koffers even de boot in, met jouw sterke handen moet dat lukken.’
Gelukkig kwam er al snel hulp van de cruise aangehold. Dit probleem was opgelost.
Maar toen gebeurde het bij de incheckbalie. Hij was goed en wel via de loopbrug op het cruiseschip beland toen hij hoorde dat zij toch maar één hut had geregeld. Hij was woedend geworden maar had dit niet laten merken, het was immers vakantie!
De hut was ruim te noemen, zelfs met alle koffers maar er moest wél wat gebeuren. Toen de trossen los waren, sloeg hij de deur van de hut dicht en nam hij het roer over.
‘Je ziet het: er is één tweepersoonsbed en dat eigen ik me toe. Dáár is jouw plek.’ Hij wees met zijn dikke wijsvinger richting een bank, in jouw taal: een canapé.’
‘Dat meen je niet. Dat kun je mij niet aandoen, IK heb betaald, Arie. Ik ben baronesse, hoor je dat? Enne, er zijn géén dekens?’ Haar ogen rolden bijna uit d’r kassen.
‘Jij hebt je niet aan de afspraak gehouden, dame, pardon baronesse, en dus moet je de consequenties ervan inzien en ondervinden. Oftewel: wie zijn gat verbrand moet op de blaren zitten. Een gezegde van het gewone volk,’ maar dat weet je wellicht niet, Sandrááá, zei hij zacht sissend.
‘En over dekens gesproken? Wat dacht je van je eigen kleding, die kun je prima als deken gebruiken. Ik neem aan dat die koffers er vol mee zitten.’
‘Maar ik heb nog nooit op een bank geslapen,’ sipte de baronesse.
‘Komt dat even goed uit, ik heb nog nooit in zo’n lux bed geslapen.’
Briesend, met toegeknepen ogen, kwam ze op me af maar ik greep haar bij haar taille, tilde haar op en opende de patrijspoort.
‘Als jij nog één keer loopt te siepen dat kwak ik je met die grote sterke, grove handen waar jij op bent gevallen, eigenhandig door dit raampje de hut uit. Het kan me niet schelen waar je terecht komt. En, o ja, ik trek wél eerst die gouden lepel uit je waffel en daarna zoek je ’t verder zelf maar uit. Ik weet zeker dat je daarin slaagt want je weet hoe ’t heurt.’
Spartelend hing ze boven de golven, ze schopte en tierde.
‘Mijn háár, Arie, mijn kapsel! Daar gaat mijn pruik!’ ze graaide naar haar hoofd maar haar kale hoofd was al zichtbaar.
Geschrokken zette hij haar neer. Dit was nou ook niet de bedoeling. Zenuwachtig had hij rondgekeken en warempel daar op de vloer lag haar haar. Gedecideerd had hij de pruik opgeraapt. Het woord gijzelen verscheen op zijn netvlies! Het werd zijn wapen.
‘Ik bepaal wanneer jij je pruik krijgt, baronesse van geboorte, je zult erachter komen wat het gewone volk allemaal kan. Ik ga nu ongestoord genieten. Je ziet me wel weer verschijnen want hier staat mijn bed en heb niet het lef om in mijn bed te kruipen.’
Hij was de hut uitgelopen, op zoek naar de salon, haar in opperste verbazing achtergelaten. Ja, hij had eten en drinken voor haar meegenomen. Zij had uit zijn hand gegeten. Hij had genoten.
Thuis gekomen zei hij glimlachend tegen zijn Bep: ‘Ik heb een geweldige vakantie gehad. Niet ná te vertellen, Bep, je moet mijn verhaal maar eens lezen.’