“De brandblussers zijn in orde” zeg je. Een gele sticker waar maand en jaar van keuring worden ingekrast. Vandaag wordt vastgelegd, duidelijk afleesbaar. Deze ontmoeting is niet periodiek. Meer dan een half leven geleden zo ongeveer.
“Ik heb je pasfoto nog” zeg je, voordat je de administratie opbergt in dat blauwe mapje. Voor de factuur. Voor de afrekening van geleverde diensten. Voor het bezorgen van een herinnering. Voor het zien hoe jij in je busje vertrekt naar een volgende klant.
Het was voordat je trouwde, twee kinderen op liet groeien tot bijna volwassen.
Het was voordat ik, een aantal relaties verder, nog steeds het huis bewonende waar mijn ouders inmiddels uit zijn vertrokken, het familiebedrijf overnam.
Het was voordat deze pandemie ons deed terugverlangen naar tijden dat we niet huisgebonden waren. Het was voordat deze jouw aanstelling als medewerker in een restaurant onnodig maakte. Lockdown. Een gezin kost geld. Brandblussers controleren kan prima met de anderhalvemeter regels.
Het duurde waarschijnlijk slechts weken, ergens in mijn late tienerjaren. De mogelijkheden werden toentertijd behoorlijk onzorgvuldig verkend. Sigaretten waren betaalbaar. De tapkast was ontdaan van verzegeling vanaf mijn zestiende levensjaar. De acné net voorbij werd muurvoedsel toegankelijk. Deurtje open, frikadel eruit, deurtje dicht. Knipoog, arm om schouder, kus, verkering.
Tot de volgende muur, met het volgende deurtje.
De liefde leek soms net zo wegwerp als de filters van Camel. Daarvan zaten er toen nog vierentwintig in een pakje.
Dat deurtje had ik open kunnen laten.
Had ik de poepluiergeurtjes kunnen waarderen? Zou ik de vleesaansnijvader op zondag zijn geweest? Zouden de jonge telgjes mij een deken van huiselijkheid om hebben gedaan die ik “geluk” zou noemen? Heb ik de genen om sleurdoorbrekend te zijn wanneer een vast gezinsritme wat melodie in monotone klanken behoeft?
Het leven zou een volledig ander orkest zijn geworden. Terwijl het oeuvre me tot nog toe prima in de oren heeft geklonken.
Ik hang de brandblussers terug in de loods. De scheepswerf die ik van mijn ouders over heb genomen. Misschien heb ik jou hier wel gekust toen je bij me langs kwam. Misschien was jij het niet. Misschien was het een ander.
“Ik de jouwe niet meer” antwoordde ik je.
Vanavond ga ik zoeken op zolder. Wie weet ben je toch in een album bewaard gebleven. Net als de zelf geplukte klavertjes vier. Die bewaarde ik ook tussen de bladzijden van dikke boeken, die ik nooit helemaal uitlas.