In een kasteel hier ver vandaan lag een sprookje languit op de houten vloer van de torenkamer. Ze had de luiken van de ramen dichtgetrokken. ‘Niemand heeft mij meer nodig’, verzuchtte ze tegen de torenmuren. ‘De mensen hebben oneindig veel verhalen binnen handbereik.’
Het sprookje lag zo al een tijd, toen de stilte werd verbroken door een harde gil. Het sprookje schoot overeind. ‘Is er iemand in nood?’ Ze liep naar het raam, duwde het luik open en keek naar beneden. Aan de voet van de toren, tussen de rozenstruiken lag een ladder en een meisje. Het sprookje bedacht zich geen moment en rende via de wenteltrap naar beneden.
Hijgend kwam het sprookje bij het meisje aan. Het meisje opende haar ogen en kreunde: ‘Ben jij het, sprookje?’ Moeizaam probeerde ze overeind te komen.
‘Jazeker’, antwoordde het sprookje, ‘maar wie ben jij? En wat doe je tussen de rozenstruiken?’ Het meisje ging rechtop zitten en keek het sprookje indringend aan. ‘Ik kom je halen. Je moet mijn zus helpen. Ze zit vast in een bubbel.’
‘In een bubbel?’ vroeg het sprookje verbaasd. ‘Ja, mijn zus zat op haar telefoon te scrollen toen die bubbel ineens verscheen. Bijna ongemerkt werd ze erin getrokken.’ Het meisje sloeg haar ogen neer. ‘We hebben alles geprobeerd om haar eruit te krijgen. Maar niets hielp. De bubbel werd steeds groter en mijn zus werd steeds somberder. Ze denkt dat het nooit meer goed komt.’ Met een trillende lip vroeg het meisje: ‘Kan jij haar helpen?’
‘Aan het eind komt het altijd goed. Laat dat maar aan mij over’, riep het sprookje. ‘Waar is die nare bubbel?’ Het meisje wees naar de slotgracht, waar inderdaad een gigantische bubbel dreef met een bleek meisje erin. Het sprookje rende er heen en begon te vertellen: ‘In een kasteel hier ver vandaan lag een sprookje in de torenkamer.’ De woorden lieten de bubbel trillen en het meisje in de bubbel keek op. ‘Ze had de luiken van de ramen dichtgetrokken en lag languit op de houten vloer’, ging het sprookje verder. De bubbel trilde nog wat meer.
Het sprookje vertelde en vertelde. Toen het sprookje aankwam bij ‘En ze leefden….’, barstte de bubbel. Het bleke meisje schrok en ging kopje onder in de slotgracht, maar kwam snel weer boven en zwom naar haar zusje aan de kant. Het sprookje keek toe en eindigde glimlachend met ‘nog lang en gelukkig’.