Vogeltje…

Door: Marian van der Veen-Niemeijer

“Kijk nou toch wat er op het nieuws is, een grafsteen gebracht naar de kringloop! Hoe verzin je het!” Jan riep het vanachter zijn eerste kop koffie die ochtend. De beelden tonen een glad gepolijste roodgekleurde steen waarin een naam, een geboorte- en een sterfdatum zijn gegraveerd. Ik denk gelijk, naast: “Hoe zijn ze er aan gekomen? Hoe hebben ze hem versjouwd, zo’n loodzwaar ding naar de kringloop?” Een raar bericht tussen alle verontrustende nieuwsfeiten die onze huiskamer worden ingeslingerd, haast even relativerend.

We staan er niet meer bij stil, de weken gaan voorbij en waar het nieuws net zo verontrustend blijft als op die ene ochtend, gaat ons leven door zoals het is, met al zijn nieuwe, onverwachte en verwachte gebeurtenissen van alledag. Tot er op een ochtend tussen de reclamefolders ineens een brief van ene notaris Brekelmans uit Aerdenhout zit, een chique goud-op-snee logo op lichtbeige postpapier vertelt ons dat wij ons dienen te vervoegen op zijn kantoor en daartoe een afspraak moeten maken. Jan kijkt me aan alsof ik er meer van zou weten, maar dit is voor mij net zo’n verrassing als voor hem. We bellen naar het kantoor van notaris Brekelmans en spreken af voor 13 maart, een datum die nog enkele weken van speculeren voor ons ligt, terwijl ons door de telefoon geen mededelingen worden gedaan over de aard van de geheimzinnige brief. Hoe we ook denken, we hebben echt geen idee. Naarmate de datum dichterbij komt, stijgt toch ook wel een beetje de spanning en maken we met elkaar de nodige grappen over tantes en ooms die uit beeld zijn verdwenen om via deze postume weg weer tevoorschijn te komen. Maar echt, we weten het niet, ons rest geen keuze anders dan ons te laten verrassen op die datum die naar onze zin veel te ver voor ons ligt.

Gekleed op ons notaris-best, parkeren we de auto voor de ietwat intimiderende voordeur en bellen aan. De bel klinkt zoals de akoestiek van een marmeren hal doet vermoeden en als we worden binnengelaten, wacht ons een authentieke ruimte met hoge plafonds en meubels die glimmen van de boenwas. Na het kopje koffie, worden we verder geleid in het kantoor van de notaris. Een man die geconserveerd lijkt uit de boeken van Godfried Bomans, hij geeft een ferme hand en stelt zich voor als Bernhard Brekelmans, derde generatie notariaat. Met zijn vlinderstrikje, grijze haardos en dito snor, oogt de man als wie hij ons vertelt te zijn. Ondertussen kunnen we onze nieuwsgierigheid haast niet bedwingen, in gedachten ben ik al bezig met ons nagesprek in de auto, over deze ontmoeting. Ik kan een glimlach daarbij niet onderdrukken, maar word gelijk weer bepaald bij de realiteit als notaris Brekelmans een zware lederen map op zijn statige bureau openvouwt en er een handgeschreven document verschijnt.

“De reden van uw bezoek” zo vertelt hij met zijn zware basstem, “is een document dat mij ter hand is gekomen uit de boedel van Frans Johannes Ligthart, bij leven wonende aan de Singel 636 te Amsterdam, geboren de 30e september 1883 aldaar en gestorven te Surabaja, Nederlands Indië op 25 mei 1928.” Mijn wenkbrauwen gaan vragend omhoog als ik Jan aankijk of ik enige herkenning in zijn ogen bespeur, maar hij kijkt net zo verbaasd als ik. De notaris vervolgt zijn betoog droogjes.: “Dit document was opgeslagen in de nalatenschap van mevrouw Johanna Arendina van Vliet, geboren de zesde januari 1890 en gestorven de 9e april 1972 te Arnhem. Ongehuwd en kinderloos, net als haar erflater Frans Johannes Ligthart. Mevrouw van Vliet was enige erfgenaam van de heer Ligthart, zoals beschreven in zijn testament. Bijgevoegd is een enveloppe met bescheiden, die volgens de wens van wijlen mevrouw van Vliet slechts geopend mag worden door de erfgenamen van haar zoals beschreven in haar testament, opgetekend de 14e juli 1960 ten kantore van mijn confrater wijlen notaris Comée te Arnhem.”

De raadsels worden voor ons steeds groter, terwijl de notaris van achter zijn enorme bureau en met zijn halve leesbril op het puntje van zijn neus, verdergaat met zijn betoog: “De documenten zijn lange tijd verborgen gebleven, omdat de familie van mevrouw van Vliet bij haar overlijden leek te zijn uitgestorven, zodat de documenten  na het overlijden van mijn collega bij mij in het archief zijn beland.” Maar waarom zitten wij hier nu, gesommeerd ten burele te verschijnen bij notaris Brekelmans?

Hij vervolgt zijn verhaal: “Misschien is u ter ore gekomen dat er recentelijk een grafsteen is afgeleverd bij een kringloopwinkel in Hilversum. Een steen waarop de namen en geboorte- en sterfdatum van voornoemde mevrouw van Vliet staan gegraveerd. De steen is daar achtergelaten zonder dat de brenger zich bekend heeft gemaakt, het blijft vooralsnog een mysterie waar de steen al die tijd is geweest. De  zerk is overgedragen aan de politie, waar een nijvere amateur-historicus in de gelederen van de recherche op het spoor is gekomen van de draagster van de namen. Mevrouw blijkt verre familie van u te zijn mevrouw Jansonius-van Vliet en bij natrekking van de familie-stamboom is bepaald dat u de wettige erfgenaam bent van haar nalatenschap. Dat is, van de brieven die zij in deze gesloten enveloppe heeft achtergelaten ter lezing door haar destijds ook onbekende erfgenaam.”

Het verhaal komt op mij steeds vreemder en onwaarschijnlijker over, terwijl de notaris onverstoorbaar zijn relaas nu voornamelijk tot mij richt. “Er is een geldbedrag nagelaten, dat helaas inmiddels aan de staat is toegevallen door verjaring, maar deze enveloppe komt u alsnog toe, als u de erfenis wilt aanvaarden.”

We kijken elkaar aan en krijgen eindelijk de kans om onderling een paar woorden te wisselen. Door nieuwsgierigheid overmand, kunnen we niet anders dan de mysterieuze enveloppe in ontvangst nemen en teken ik voor de aanvaarding van de erfenis, die mij in een bruine, aan de hoeken enigszins gesleten papieren omslag wordt overhandigd.

Notaris Brekelmans neemt inmiddels wat minder formeel afscheid van ons en leidt ons door de marmeren hal naar buiten, schudt onze hand nog eens en vraagt of we hem wellicht kunnen vertellen wat de inhoud van de enveloppe behelst, als we zover zijn en zo vriendelijk willen zijn deze met hem te delen.

In de auto zwijgen we eerst, beduusd door wat er allemaal is gezegd. Maar dan barst het los: “Wist jij nou niets van het bestaan van je oudtante?” “Welnee!” antwoord ik, terwijl ik in mijn hoofd al alle scenario’s ben nagelopen. “Ik heb werkelijk geen idee!” Thuisgekomen gaan we samen aan de keukentafel zitten. Voorzichtig rits ik de kwetsbare enveloppe open en haal er een heel stapeltje handgeschreven brieven uit en een paar oude zwart-wit foto’s. Het blijkt een briefwisseling van de twee mensen die genoemd zijn door de notaris, bovenaan de ene helft prijkt steevast in een prachtig handschrift “Mijn liefste Frans”, terwijl de andere helft de aanhef draagt: “Mijn liefste Vogeltje”, verwijzend naar de naam Arendina. Op de foto’s staat een lange, magere jongeman in uniform met een verdrietige oogopslag, de ander toont een blozend meisje dat met een lieve glimlach de lens inkijkt, alsof ze wil zeggen: “Het komt goed mijn liefste!” Als in een rollenspel lezen Jan en ik elkaar de brieven voor, met stijgende verbazing worden wij het emtionele verhaal van deze twee mensen ingezogen. Mensen die elkaar liefhadden, in onze tijd voor elkaar bestemd zouden zijn, maar elkaar niet mochten beminnen omdat hun afkomst dat niet toeliet. Arendje, zoals mijn tante in het dagelijks leven te boek stond, was in dienst bij de vermogende familie van Frans, maar toen zijn moeder in de gaten kreeg dat zich iets ontwikkelde tussen haar zoon en het dienstmeisje, werd Arendje met een weekloontje op straat gezet. Wat moeder niet kon bevroeden, was dat Frans en Arendje zoveel van elkaar hielden dat zij altijd ongetrouwd bleven, in onmogelijke liefde verbonden, dat Frans zijn heil zocht in het aanvaarden van een functie in Surabaja, destijds Nederlands Indië, om te trachten Arendje uit zijn hoofd en hart te zetten, wat hem getuige de liefdevolle, gepassioneerde brieven aan zijn “Vogeltje”, nooit is gelukt. Hij stierf daar, misschien wel van verdriet, vast eenzaam en vol spijt dat hij zijn hart nooit echt had durven volgen. Arendje kon ook haar hart niet geven aan een ander, er was zoveel liefde tussen deze twee mensen, onmogelijke, hartstochtelijke, verborgen liefde. Intussen zorgde Frans wel goed voor zijn “Vogeltje”. Zij kwam niets tekort en kon ruim leven van de maandelijkse toelage die een “onbekende weldoener” op haar bankrekening stortte. 
En toch, zo konden wij met tranen in onze ogen niet anders besluiten na een avond deze hartverscheurende briefwisseling te lezen, verdienden deze mensen het zó samen te mogen zijn, in plaats van alletwee in eenzaamheid te sterven. De twee, die ons aankijken vanaf onze keukentafel, zijn in onze hoofden en harten in kleurrijke beelden tot leven gekomen.

En zo werd tante, Arendje, “Vogeltje”, ons lief. We zullen haar en Frans nooit meer vergeten, we hebben ze alsnog verenigd en in onze harten gesloten.

Wil je contact opnemen? Stuur een mail naar info@verhalenkaravaan.nl

The Verhalenkaravaan is an initiative of the Bibliotheek Amstelland and is made possible in part by contributions from the residents of Amstelland.