We zoeken op internet vakantiehuizen voor de zomer. Je moet er tegenwoordig vroeg bij zijn. Buiten is het een paar graden boven nul, het is de kortste dag en de zon schuilt al achter de flat tegenover ons.
‘Wat vind je van dit huis?’ vraag ik mijn vrouw en draai mijn laptop naar haar toe. Ze kijkt, bestudeert de foto’s en de bijbehorende tekst en draait de laptop weer terug.
‘Nee, joh, wat is dat nou voor een inrichting? Verschrikkelijk, toch? Ik zie trouwens ook geen zwembad. We zouden alleen huizen zoeken met een zwembad.’ Dat is ook zo.
‘Kijk,’ zegt ze, ‘Hier, dit huis ziet er leuk uit.’ Nu draait zij haar laptop naar mij en kijken we samen naar de foto’s en de tekst. ‘Een unieke plek die alles in zich heeft om je vakantie onvergetelijk te maken. Rustig gelegen in de buurt van de stad A., en toch slechts 15 minuten van de snelweg. Stel je eens voor: overdag een bezoek aan de pittoreske binnenstad van A., daarna de verkoeling zoeken van je privé zwembad en een heerlijk glaasje wijn drinken op de beschutte veranda, waar je aan het eind van de dag de zon prachtig rood onder ziet gaan.’
Waarom word ik tegenwoordig in al die reclames met ‘je’ aangesproken alsof ik een kind ben? De foto’s zien er gelukkig prachtig uit en kort na het lezen ben ik overtuigd. Voordat we het ons realiseren hebben we het huis twee weken in juni geboekt. Wat een luxe, denk ik later, dat we dit kunnen doen – twee weken zon, rust, een privézwembad. Terwijl ik dat denk, schieten me ineens andere verhalen te binnen. Als taalcoach had ik dit jaar vier taalmaatjes uit Syrië en een taalmaatje uit Turkije, allemaal gevlucht voor geweld of vervolging. In het Taalcafé zit wekelijks een bont gezelschap van expats, vluchtelingen en AZC-bewoners. Hun verhalen over de ellendige omstandigheden waaronder zij moesten vluchten, vaak in letterlijke doodsangst, raken mij iedere keer. Een van hen moest tijdens de winter vier maanden zien te overleven in de “Green Border”, het stukje niemandsland tussen Belarus en Polen, met alleen de kleding die hij aanhad. Zijn schoenen al weken nat, de constante honger, voortdurend achtervolgd door de grenspolitie; een ander vluchtte met een bootje naar Griekenland, kocht daar valse papieren voor veel geld, waarmee hij Europa verder in kon.
En natuurlijk maken wij ons zorgen over wat er in Europa en daarbuiten gebeurt. Maar vergeleken met wat mijn taalmaatjes hebben meegemaakt…
Helaas leven hun achtergebleven familie en vrienden nog dagelijks in angst. Ze kunnen ieder moment opgepakt worden, of ze moeten schuilen voor oorlogsgeweld.
Het werk als taalvrijwilliger verrijkt me – iedere week weer. Wanneer zit je nou aan tafel te praten met mensen die acht verschillende nationaliteiten hebben? Iedere week weer leer ik iets over de verschillende culturen, waardoor je beter begrijpt waarom deze mensen hun eigen tradities, feesten en rituelen hebben. De dankbaarheid is groot en daarmee ook de voldoening dat ik dit vrijwilligerswerk kan en mag doen. Laatst zei een taalvrager, een vluchtelinge, dat ze zich in het taalcafé op haar gemak voelde, het was daar vertrouwd en veilig, en de uurtjes met ons in de bieb vond ze zo “gezellig”. Hollandser kan het niet.
En ik verheug me nog steeds op onze vakantie.