Officier

Door: Rogier van Vuure

Ooit, vele jaren geleden, moest ik me melden voor de keuring van de militaire dienst. Een paar weken voor mijn 18e verjaardag kreeg ik daarover een brief met een heel imposant logo. Weigeren om naar die keuring te gaan liet ik wel uit m’n hoofd, alleen al vanwege dat logo. Wel moest ik daarvoor helemaal naar Groningen, waar kennelijk de voor mij dichtstbijzijnde kazerne was. Bovendien viel een paar dagen van tevoren net mijn OV-studentenkaart in de brievenbus, zodat er qua reiskosten ook geen excuus meer was om verstek te laten gaan.



Oudere klasgenoten gaven me vooraf allerlei ongevraagde adviezen. “Die medische keuring is vervelend, ze lopen alles bij je langs”, maar ook “Je moet gewoon zeggen dat je soms nog in bed plast”, en zelfs “Smeer pindakaas tussen je billen”. Ik wilde eigenlijk niet worden afgekeurd, vanwege het stigma en wat er zoal op feestjes en borrels dan wel niet over je gezegd wordt, maar goedgekeurd worden wilde ik evenmin.



En dus vertrok ik die bewuste ochtend, met de allereerste trein die er in het vroege donker richting het hoge noorden vertrok. Ik besloot er maar het beste van te maken. Als eerste kreeg ik een schriftelijke test: tandwielen en radertjes, in elkaar verstrengeld: in welke richting draaien ze? Een gebold zeildoek: uit welke richting kwam de wind? Daarna volgde een behendigheidstest: houten stokjes vielen op ooghoogte uit een houder, vang ze voordat ze de grond raken! De medische test had gelukkig niet veel om ‘t lijf: mijn onderbroek mocht ik aanhouden, maar wel moest ik een koude stethoscoop overal ondergaan. Tenslotte nog een simpele oogtest (de bekende letterplaat aan de muur) en een test met piepjes vanuit een hoofdtelefoon: in welk oor hoorde ik ze het luidst?



Als laatste volgde het eindgesprek, met een lange man in uniform. Op z’n schouders zaten allerlei glimmende koperen decoraties bevestigd, op zijn borst gouden spelden en medailles. Hij droeg een flinke snor en had een lage stem, nog nooit had ik iemand gezien die er zó uitzag als een militair. Nadat hij me luidkeels bij m’n achternaam zijn kantoor binnen had geroepen, moest ik op de stoel tegenover hem plaatsnemen. Hij keek peinzend naar alle door mij ingevulde formulieren.



‘Zo… Eens kijken. Je hebt overal “Nee” aangekruist,’ mompelde hij hoofdschuddend. Hij deed z’n ogen dicht en masseerde zijn neusbrug met zijn duim en wijsvinger. Daarna keek hij me even aan en daarna weer naar de formulieren. Hij vervolgde: ‘Bij “Wil je bij de commando’s?” schreef je “Nee”. “Wil je gestationeerd worden bij het korps mariniers?”, “Nee”. “Wil je bij de luchtmacht?”, “Nee”. “Wil je bij de luchtmobiele brigade?”, “Nee”. “Wil je worden uitgezonden op VN-vredesmissies?”, “Nee”. Behalve bij “Wil je officier worden?”, daar staat “Ja” ingevuld.’ Nu keek hij me ineens strak aan en zei: ‘Wil je ook echt officier worden?’



‘Als, als ik toch ‘t leger in moet, dan ‘t liefst als officier. Waarom niet?’ antwoordde ik.

‘Jij zult van je levensdagen geen officier worden,’ zei hij en stapelde de voor hem liggende velletjes papier bij elkaar. Hij drukte een knop in op zijn telefoontoestel, riep “De Volgende!” in het speakertje en wenkte naar de binnenkomende secretaresse. De volgende jongeman werd al gesommeerd. Het gesprek was ten einde, net als mijn officierscarrière.

Wil je contact opnemen? Stuur een mail naar info@verhalenkaravaan.nl

The Verhalenkaravaan is an initiative of the Bibliotheek Amstelland and is made possible in part by contributions from the residents of Amstelland.