Normaal gesproken nooit

Door: Rogier van Vuure

Ik hoor hier niet, dit voelt niet goed. Ik ben in het hol van de leeuw, in de hel misschien wel. Ik ben op van de zenuwen, we hebben veel weinig geslapen vannacht, papa en ik. Het slapen lukte ook niet die paar uurtjes in de auto, onderweg hiernaartoe.

Ik kijk om me heen. Overal zijn mensen. We staan in de rij voor het stadion. Wit-zwarte shirts her en der en waar ik ook kijk bevinden zich in oranje uitgedoste mensen om ons heen. Braadworsttentjes met drommen wachtenden ervoor, vlaggenverkopers en mensen die vertwijfeld roepen of er iemand nog een kaartje te koop heeft. Achteloos weggegooide plastic bekertjes en platgetrapte blikjes bier zo ver je kunt zien. Hoempapamuziek klinkt ergens vanuit de verte. Ik hou mijn vaders hand vast.

De kaartjescontroleur kijkt ons streng aan en zegt iets op norse toon in het Duits tegen mijn vader. Zijn toon past goed bij zijn groene uniform en zijn pet met zilverkleurig embleem. We mogen doorlopen. Iedereen in ons vak is oranje gekleurd.

Ik denk terug aan vorige week, toen papa thuiskwam en het nieuws vertelde tijdens het avondeten. Hij had twee kaartjes aangeboden gekregen via iemand van zijn werk voor de voetbalwedstrijd van Nederland. Het bleef heel even muisstil aan tafel. Mama wilde niet, ze zei niet waarom en papa drong niet aan. Papa vroeg mij. Ik zei dat ik naar school moest, maar hij onderbrak me en zei dat hij het wel zou regelen met school en dat de meester het wel zou begrijpen. Ik vroeg niet verder door, ik ging er van uit dat alles goed zou komen, zoals altijd.

‘Luister,’ zegt mijn vader, op een toon waarbij ik ook echt niet anders kan doen dan luisteren. ‘Dit gaat waarschijnlijk mis. Zelfs met Cruyff erbij, veertien jaar geleden, ging het mis, al waren wij beter. Maar ook dat hoort erbij, jongen.’ Hij slikt even en lijkt daarna nog iets tegen me te willen zeggen, maar blijft dan zwijgend voor zich uit naar het veld turen.

De wedstrijd staat op het punt te beginnen. Ik zit meteen op het puntje van mijn stoel. Van de spanning, maar ook omdat de man die voor me zit mij het grootste deel van het zicht op het veld ontneemt. Dan gaat er een wave door het stadion, mensen om ons heen roepen ‘Aanvallen!’ Iedereen gaat staan, wij ook, de armen juichend in de lucht. Alle stoeltjes blijven een kort ogenblik onbenut, waarna iedereen weer gaat zitten. Eén moment vormde iedereen in het stadion een groot levend, wit-zwart-oranje slangachtig wezen met elkaar.

Dan klinkt het fluitsignaal. Eindelijk, de bal rolt. Nederland start nerveus, opvallend vaak verspelen we onnodig de bal. Zij zijn eigenlijk beter. Toch geeft Nederland niet op en worden we zowaar iets brutaler. Er komen nu kansen, over en weer, maar doelpunten blijven uit. Dan is het rust, veel sneller dan ik ooit een wedstrijdhelft voorbij heb zien gaan. Ondanks de lange rijen haalt mijn vader voor mij een broodje braadworst en voor zichzelf een groot glas bier. Dan begint de tweede helft, er is geen tijd meer voor de wc.

Al snel verhardt het spel, de eerste gele kaarten worden gegeven. Naast ons rookt iemand een sigaret. Dan krijgen zij vanuit het niets een penalty. Matthäus plaatst de bal op de stip en legt aan vanaf elf meter: 1-0 voor West-Duitsland.

‘Godsamme!’ roept mijn vader. ‘Zijn we er wéér ingetuind!’ Hij vloekt normaal gesproken nooit. Nederland trapt weer af. Dan volgt er een fase met een paar mooie aanvallen, Nederland speelt mooier en slimmer dan zo-even en groeit langzaamaan in de wedstrijd, maar alle afgemeten voorzetten en venijnige schoten gaan net naast en net over. Ik hoor mijn vader de man naast ons om een sigaret vragen. Hij rookt normaal gesproken nooit.

Iedereen in het vak staat op, een penalty voor ons! Alle oranje mensen om ons heen klampen elkaar vast. Ronald Koeman gaat achter de bal staan en neemt een lange aanloop. Ik kijk naast me, mijn vader heeft zijn ogen dicht. Onberispelijk glijdt de bal tegen het zijnet, het staat 1-1! Alles, werkelijk alles voelt nu veel lichter. Nederland wordt beter en beter, het ene schot na het andere wordt afgevuurd, een bal op de lat, een bal op de paal, het is om moedeloos van te worden. De wedstrijd is nu bijna afgelopen, zegt mijn vader, wijzend naar zijn horloge. Eén aanval volgt er nog voor Nederland. De bal belandt bij Vanenburg, Gullit, Wouters, Van Basten. Nog altijd Van Basten, nu in een onmogelijke hoek, maar hij glijdt de bal richting de verste paal, precies buiten bereik van de doelman… Goal, 1-2!

Iedereen veert gelijktijdig op, ik ben nog nooit zo hoog opgesprongen. Wildvreemde mensen omhelzen elkaar en wij hen ook. Overal vliegen plastic bekertjes in het rond. Ik kijk naast me, mijn vader lacht en heeft tranen in zijn ogen, hij huilt normaal gesproken nooit. Het stadion is van ons. Ik ben op de mooiste plek van de wereld. In de hemel, misschien wel.

Wil je contact opnemen? Stuur een mail naar info@verhalenkaravaan.nl

The Verhalenkaravaan is an initiative of the Bibliotheek Amstelland and is made possible in part by contributions from the residents of Amstelland.