De brief lag op mijn deurmat als een bom. Zwart papier, zilverinkt, verzegeld met rode was. Bewoner nummer 13 – Addam – maakte bezwaar tegen de zonnepanelen. De hele VVE had al maanden vergaderd, een begroting gemaakt, de offerte getekend. En nu dit.
Ik belde Jan. “We gaan erheen. Vandaag nog.”
“Annemarie, laat het toch. Die gast komt nooit opdagen bij vergaderingen—”
“Daarom juist. Geen afspraak. We overvallen hem.”
Twee uur later stonden we voor nummer 13. Ik drukte op de bel. Niets. Nog een keer, langer nu. Jan kreunde. “Hij doet niet open.”
“Hij is er.” Ik voelde het. Mijn vinger bleef op de knop.
De deur ging open, een kier.
Mijn adem stokte. Alles achter die deur was duisternis. Addam droeg een zwart gewaad met donkerrode kraag, satijnachtig. Zijn haar piekte wild, pikzwart. Zijn huid was lijkbleek, zijn lippen bloedkleurig. Om zijn nek hing een ketting vol schedelmotieven.
“Wij zijn van de VVE,” zei ik. Mijn stem klonk dunner dan bedoeld. “Mogen we binnenkomen?”
Zonder antwoord zwaaide de deur open.
De gang was maanlichtblauw, kil. Aan de muren hingen posters van bands die ik niet kende, met namen in gothic letters. Addam trok een zwartfluwelen gordijn opzij.
De kamer daarachter leek uit een andere eeuw. Nachtpaarse muren. Bloedrode fluwelen gordijnen tot op de grond. Overal brandden druipkaarsen, het leek bijna een altaar. De lucht was zwaar van wierook en iets zoetig dat ik niet kon plaatsen.
“Ga zitten,” fluisterde Addam.
Ik zakte in een zwartleren bank. Jan volgde aarzelend. Addam nam plaats in een houten stoel met een zilveren pentagram in de rugleuning.
“De zonnepanelen,” begon ik. Mijn woorden voelden absurd in deze ruimte zonder licht, zonder zon. “Je brief—”
“Sorry.” Addam stond abrupt op. “Ik moet iets afmaken.” Hij verdween achter een gordijn met sterrenpatroon.
Stilte. Kaarslicht danste over de muren.
“Kijk,” siste Jan. Hij wees naar een menselijke schedel op een zwarte kast. Spinnenwebben dropen ervan af. Ernaast stond een vaas met verlepte rozen, zwart aan de randen.
Mijn blik viel op een bord op de salontafel. Voedsel, halfopgegeten. Er bewoog iets in.
“Maden,” fluisterde Jan. Zijn gezicht was asgrauw. Hij stond half op. “We moeten hier weg, Annemarie. Dit is niet normaal—”
Een schril geluid sneed door de kamer. Kraah, kraah!
Geen deurbel. Een vogel? Opnieuw: Kraah, kraah!
Ik keek naar het gordijn waar Addam verdwenen was. Niets. Moest ik opendoen?
Ik liep naar de deur. Op de drempel stond een vrouw met een zware choker vol spikes. Oversized rok, zwarte satijnen blouse met scheuren. Zware oogmake-up.
“Dating?” vroeg ze.
Ik knikte automatisch en liet haar binnen. Ze liep langs me heen, zag Jan – en deinsde terug. “Nee! Voor hem kom ik niet!”
Jan stond al bij de deur. “Ik ga—”
“Toffe outfit,” zei Addam. Hij stond plotseling naast ons, geruisloos verschenen.
De vrouw ontspande. “Wat doen zij hier?”
Addam glimlachte koud. “Oh, zij komen mijn huis inspecteren. Volgens hen is het hier vies. Ze denken dat er maden in mijn eten zitten.” Zijn blik gleed naar Jan. “Maar het zijn miereneitjes. Heel gezond.”
Jan verstijfde. “Hoe—”
“Camera.” Addam wees naar het plafond. Een klein rood lampje knipperde. “Je kunt niemand vertrouwen. Ik zag ook dat je mijn zilveren kruis in je jaszak stopte. Wil je dat terugleggen?”
Mijn maag draaide om. Jans gezicht liep paars aan. Met trillende handen haalde hij een klein zilveren kruis uit zijn zak en legde het naast het bord met maden, of mieren.
“Schaam je,” siste ik.
“Jullie kunnen gaan,” zei Addam. “Ik heb geen behoefte aan zonne-energie.”
“Waarom niet?” De spikes-vrouw keek hem strak aan. “Het is duurzaam. We willen geen zon op onze huid maar wel de energie. Beter dan afhankelijk van die winstgraaiers.”
“SolarSun, de leverancier, is niet betrouwbaar,” zei Addam.
“Daar werk ik!” Haar stem werd scherp. “SolarSun. We zijn hartstikke betrouwbaar.”
Stilte. Kaarsvlammen flakkerden.
“Wil je zaken met mij doen,” zei de spikes-vrouw langzaam, “dan zeg je ja tegen die panelen.”
Addam keek naar haar. Naar mij. Naar Jan met zijn rode wangen.
“Oké.” Hij haalde zijn schouders op. “Het kan me niet zoveel schelen. Maar ik wil een gespecificeerde begroting zien.”
Zijn blik priemde in Jan. “Om te checken dat niemand iets achteroverdrukt.”
Ik pakte Jan bij zijn arm. “Die krijg je.”
Buiten, in het zonlicht, haalde ik eindelijk adem. Jan mompelde iets over een vergissing, een misverstand. Ik luisterde niet.
In mijn tas voelde ik de zwarte brief met de rode was. Ik zou hem bewaren, besloot ik. Als herinnering dat je nooit weet wat er achter een deur schuilgaat.