Zijn blik was naar binnen gekeerd. Een vluchtige glimlach verscheen op zijn gezicht, maar verdween net zo snel. Hij stond voor me, zoekend naar woorden, gekleed in een T-shirt en een trainingsbroek.
“Goede… morgen,” zei hij zachtjes.
“Goedemorgen. Ik ben Michael,” antwoordde ik, terwijl we elkaar de hand schudden. “Zullen we naar binnen gaan voor een kopje koffie?”
Hij aarzelde, zijn ogen schoten naar het terras. Ik voelde zijn ongemak in het café en begreep dat hij liever buiten zat, op een van de lege picknickbanken.
We namen plaats tegenover elkaar. Ik zocht naar woorden om het gesprek te beginnen.
Voordat ik iets kon zeggen, stak hij zijn hand in zijn zak en haalde een telefoon tevoorschijn. Snel toetste hij iets in en liet het scherm aan mij zien. Ik zag Google Translate, Arabisch naar Nederlands met de woorden: “Ik moet werken. Ik wil niet thuis zitten niets doen.”
Ik nam zijn mobiel in mijn handen en tikte: “Ja, ik ga je helpen.”
Zijn schouders zakten en hij schudde zijn hoofd.
Ik probeerde een gesprek te beginnen om elkaar beter te leren kennen. Op straat had ik zijn ruige mountainbike gezien. “Hou je van fietsen?” typte ik in Translate. Hij las het Arabische equivalent. Tot mijn verbazing stond hij op, trok zijn T-shirt omhoog en liet zijn blote borst en rug zien. Hij wees op littekens, voor en achter op zijn lijf. “Pijn,” zei hij. Ik weet niet meer wat ik zei, waarschijnlijk iets als: “Wat verschrikkelijk! Wat vreselijk!”
Ik gaf zijn telefoon terug terwijl hij zijn T-shirt naar beneden trok. Dat gaf me een moment om na te denken over wat ik moest zeggen. Voordat ik kon spreken, schoot hij met Translate te hulp. “Kogelwonden. Niet alle stukjes granaatscherf verwijderd. De hele dag en nacht pijn.”
Denkend dat hij er misschien erover wilde praten, tik ik in, “Wat is er gebeurt?”
“Soldaten kwamen naar mijn boerderij, schoten al mijn paarden dood. Probeerden mij neer te schieten. Niets meer over.”
Hij herhaalde dat hij een baan wilde, hij was het zat om de hele dag thuis te zijn, zijn vrouw in de weg te zitten, de kinderen naar school te moeten brengen, geen eigen doel in het leven te hebben.
Een collega had mij vertelt dat dit een hopeloos geval was: slechte taalvaardigheid, geen opleiding, geen nuttige vaardigheden voor werk in Nederland, matige fysieke conditie. Ik had geantwoord dat ik de uitdaging aan zou gaan.
En nu ik hem ontmoette, voelde ik zijn hopeloosheid en wist ik zeker dat ik deze man wilde helpen.