Een onverwacht bericht

Door: Ineke van Kampen

Ik zit in het hoekje van de bank, benen opgetrokken, koud kopje thee in mijn hand. Mijn ogen keken, maar naar niets, nergens heen, wazig. Wat was dat toch met mij? Waarom hoorde ik nergens bij? Was ik dan zo anders, zo lelijk, zo gek misschien? Het was nooit anders geweest. Mijn moeder was altijd bezig met mijn jongere zusje. Mooie kleertjes aan, krullers in het haar, opmaken en nagels lakken. Wat hadden die twee lol samen. En ik, ik stond erbij en keek ernaar. Het was alsof ik niet bestond. Ik werd niet eens gevraagd om drinken te halen, of iets te eten, of te snoepen. Mijn moeder liep rakelings langs me heen. Alsof ik een geest was, onzichtbaar. En ik kreeg ook niks. Niet alleen geen aandacht, maar ook niks te eten of te drinken. Ja, wat was ik eenzaam geweest in die uren naast mijn zusje en mijn moeder. En dat was nooit anders geworden. Op school had ik geen vriendinnetjes. Ik stond altijd alleen tegen het hek, of zittend op het muurtje, te kijken naar de spelletjes van de andere meiden, van hun gesprekken en gegiechel. Toeschouwer van het leven was ik, geen deelnemer. Ik had nu mijn eigen huisje, alleen. Geen man, geen vriend, geen vriendinnen, geen kind. En ineens dit onverwachte bericht.

Ik zat in therapie, jarenlang, gestuurd door de huisarts. Ik had zelfs in een inrichting gezeten. Soms werd de wereld zo zwart voor me, zo eenzaam, zo verdrietig, dat ik mijn bed niet meer uitkwam, me niet meer aankleedde, niet meer at. Dat kon een paar dagen duren, maar soms langer. Dat wist niemand. Ik had hier als kind al pillen voor gekregen. “Ze is bipolair,” had de arts gezegd, en voor mijn moeder betekende dit dat ik gek was. En wie wilde er nu een gek kind? Ze had, denk ik, geen idee hoe ze met me om moest gaan. Maar als ik al een week niet gegeten had, en ook niks uit de koelkast had gepakt, dan stuurde me maar weer naar de huisarts. Die gaf me pillen en daarmee was het afgelopen. Dit was nooit anders geworden, ook niet toen ik ouder werd, en mijn zusje niet. Op zekere dag was ze plotseling de weg overgestoken. De auto kon haar niet ontwijken, en de klap was te veel voor haar.

Mijn moeder is hier nooit meer overheen gekomen. Ze zonderde zich af, zat weken in het donker in de slaapkamer, at niet en dronk niet. Totdat mijn vader de dokter belde. Toen werd ze meegenomen naar een inrichting voor psychiatrie. Psychose, heette het. Ik dacht dat het eindig zou moeten zijn, maar ze is er nooit meer uitgekomen. Ik zag haar als ik met mijn vader bij haar op bezoek ging. Een vreemde, bleke, spichtige vrouw. Grote blauwe ogen in een hoekig gezicht. Grijs haar dat alle kanten op stand. Was dit nu mijn moeder? Mijn moeder, die zich altijd mooi kleedde, of ze ergens naartoe moest of niet? Altijd haar make-up piekfijn, een geurtje en mooie pumps. Bijpassende kettingen en armbanden, gouden oorbellen staken uit haar gekapte haren. Ik wist niet wat ik tegen deze vrouw moest zeggen. Soms maakte ik maar een tekening voor haar als we weer gingen. Dat maakt mijn vader blij. Mijn vader, die ik nooit echt gekend had. Hij was altijd op kantoor en kwam pas heel laat thuis. En dat werd na moeders vertrek niet veel anders. Ja, thuis had hij alleen maar mij. En de geest van mijn moeder die door het huis dwaalde. Verstikkend. En daar werd hij, denk ik, niet blij van. En ik ook niet.

En nu had ik een huisje voor mijzelf. En kon ik doen wat ik zelf wilde. Vrolijk ingericht, altijd bloemen op tafel. In de slaapkamer een mooie kaptafel waar ik mijzelf op kon maken, met mooie oogschaduw, lippenstift, eyeliner en vul maar in. Alles wat ik hen ook bij elkaar zag doen, kon ik hier bij mijzelf doen. Maar echt blij werd ik hier niet van. Want voor wie zou ik het doen?

Die ochtend lag er een grote enveloppe bij de post. In grote zwierige letters stond mijn adres op de voorkant geschreven. Nieuwsgierig, maar ook wat achterdochtig, maakte ik de brief open. De afzender was een groot advocatenkantoor in de stad. Ze wilden een afspraak met me maken om iets met mij bespreken. Nou, lekker dan. Ik had geen idee waar het over ging, dat stond er niet bij. Het tijdstip was me eigenlijk veel te vroeg. Om om tien uur op hun kantoor te komen, moest ik zeker voor negenen de deur uit zijn. Dat betekende al vroeg uit bed. Voor hen was dit vast een redelijke tijd, maar voor mij niet. Een paar dagen lang had ik lopen bedenken of ik wel zou gaan. Misschien moest ik mijn vader bellen om hem te vragen of hij iets wist. Maar dat viel ik zijn nieuwe gezin lastig. We hadden elkaar sinds hun datingsdagen niet meer gezien. Ik kon me goed onzichtbaar houden.

Die dag had ik me uitgebreid opgetut om naar het advocatenkantoor te gaan. Ik was eerlijk gezegd ook wel nieuwsgierig wat er aan de hand was. Even voor tien uur meldde ik me bij de receptie. Een vrouw die net zo mooi opgemaakte was als ik, bracht me naar een vergaderzaaltje en gaf me een kop koffie. Vlak daarna stapten twee heren op leeftijd, keurig in het pak, naar binnen. Ze stelden zich allebei aan me voor. Toen we allemaal weer zaten, nam een van hen het woord.

“Mevrouw, u zult zich wel afvragen waarom wij u hier uitgenodigd hebben,” zei hij.

“Dat klopt,” antwoordde ik.

“Wij zijn in het bezit van een pakket dat door uw overleden vader hier bij ons voor u is afgegeven.”

“Wat raar,” zei ik, “mijn vader leeft toch nog?”

“Dat zou kunnen,” hervatte de man, “daar weet ik natuurlijk niks van. We hebben het hier over uw echte vader. Uw biologische vader was getrouwd met een andere vrouw. Hij kon daardoor niet met uw moeder verdergaan. Hij vertrok toen hij begreep dat uw moeder zwanger was. Hij heeft dat altijd jammer gevonden. Zelf had hij geen kinderen. Zijn vrouw kon geen kinderen krijgen. Een paar jaar na uw geboorte is zij overleden. Hij heeft zich altijd heel alleen gevoeld, afgesneden van het geluk dat hij zo graag had gewild. Uw moeder was inmiddels hertrouwd. Die mogelijkheid was daardoor afgesneden. Hij werd heel depressief en is een aantal keer opgenomen geweest in een instelling. Hij is afgelopen jaar overleden. In zijn testament heeft hij al zijn bezittingen aan u nagelaten. Met daarbij een notitieboek waarin hij zijn leven beschrijft en een brief aan u. U kunt zijn nalatenschap accepteren of niet. Dat is natuurlijk aan u. Hier heeft u een document waarin u dit kunt aangeven. U kunt hier even rustig over nadenken. Laat ons weten wanneer u een beslissing genomen heeft.

Toen stonden de beide heren op en kreeg ik een hand ter afscheid. Bedremmeld stond ik daar in die kamer. Wat was me nu overkomen? Had ik een ‘eigen’ vader? Een die niet meer leefde? En wat moest ik met die erfenis? Ik deed mijn jas aan, stopte het formulier in mijn tas, zei gedag tegen de vrouw van de receptie en liep het kantoor uit.

Ik liep het park in, naast het kantoor. En terwijl ik daar nietsziend in rondliep, werden me een aantal dingen duidelijk. Waarom mijn moeder zich niet met mij bemoeide. Waarom mijn vader altijd afwezig was. De eenzaamheid van moeder, en van mij, en de verkniptheid van de hele situatie. De enige onschuldige in dit hele verhaal was mijn zusje. Die had nergens mee te maken. Zij was geboren om mijn vader gelukkig te maken, maar dat was niet gelukt. En daarmee werden we één groot, ongelukkig gezin.

Ik wilde mijn vader bellen, maar dat kon niet, door zijn rol in dit verhaal. En meer mensen waren er niet om dit mee te bespreken. En daar, precies toen, besloot ik dat het anders moest. Ik was geworden zoals ik was door dat gezin. Ik besloot de erfenis te accepteren, gewoon uit nieuwsgierigheid. Dat bleek geen slechte keuze. Hij liet een mooi huis achter en nog wat geld. Ik nodigde de vrouw van de receptie uit om een keer samen te lunchen. Dat was het begin van een mooie vriendschap. Ik ging schilderen, en ook daar ontdekte ik dat mensen me echt wel aardig vonden. Mijn eigenlijke vader speelde een dubbelrol in mijn leven. Hij had me geïsoleerd gemaakt, maar gelukkig ook de mogelijkheden gegeven om weer uit die isolatie te komen en langzamerhand een gelukkiger mens te worden.

Ik zit op de punt van mijn blauwe bank. Lekkere kussens in mijn rug, een kop gloeiendhete thee in mijn hand. Ik kijk uit het raam, nergens heen. Langzaam ontspringt zich een grote glimlach om mijn lippen. Ik, Katja, ik hoor erbij.

Wil je contact opnemen? Stuur een mail naar info@verhalenkaravaan.nl

De Verhalenkaravaan is een initiatief van de Bibliotheek Amstelland en komt mede tot stand dankzij de inbreng van de inwoners van Amstelland.