Als backpacker wil ik, op reis door Tibet in 1958, in mijn schamele hotel de was laten doen. Ik blijk de eerste buitenlandse bezoeker. De was doen? Nooit van gehoord, hebben we niet, doen we niet, was het antwoord. Aan de balie laat ik daarom braaf mijn buitengewone verzoek noteren. De notitie, in het Engels en Chinees, hangt goed in het zicht.
Een dag later kijk ik of er al op mijn verzoek is gereageerd.
Bij de balie van hotel Banak Shol staat een prachtige vrouw, met lang
zwart glanzend haar. In Tibetaanse kleding. Ik vroeg prompt of zij soms de was doen.
Na honderden kilometers liften met vrachtwagens die steenkolen vervoerden,
waren mijn kleren toe aan een flinke wasbeurt. Het stof zat zelfs tot in de kleinste hoeken van mijn cameratas.
Maar ze blijkt helemaal geen Tibetaans receptioniste. Ze is zelf
hotelgast. Een Chinese toeriste, met een missie. Net afgestudeerd
kunstenaar aan de universiteit van Xi’an, is ze naar Tibet gekomen om de laatste overgebleven restjes minderhedencultuur vast te leggen. Het is zomer 1985, tien jaar nadat de Culturele Revolutie als een ware beeldenstorm over het Tibetaanse
land was geraasd. Een land dat nog nauwelijks was ontsloten. En waar je
als backpacker eigenlijk niet binnen mocht.
De tocht naar het Tibetaanse hoogland, omzoomd door spectaculaire pieken
met eeuwige sneeuw, was bar geweest. De trucks reden dwars door de steppe
van provincie Gansu naar Golmud, of Görmu in het Chinees, een afgelegen
garnizoensplaats. Was dit echt of gedroomd? De vermoeiende klim in een
busje dwars door een woestijnlandschap naar 4000 meter hoogte werkte
hypnotiserend. Over een kaarsrechte lijn de horizon tegemoet, een surrealis-
tisch perspectief binnen. Rechts van de weg blinde muren met wachttorens
en prikkeldraad, de laogai. Ofwel de kilometerslange keten van strafkolonies
met honderdduizenden dwangarbeiders, tucht kampen naar Sovjetmodel,
evenbeeld van Solzjenitsins beruchte goelag archipel.
De Chinese kunstenares in Hotel Banak Shol, ze bleek Ma Hui te heten,
vertelde mij dat haar hele familie tijdens de Culturele Revolutie
(1966–1976) jarenlang zat opgesloten in deze laogai. Ze had menigmaal
haar oudste broer moeten verzorgen als hij weer eens tot bloedens toe was
geslagen door bewakers. Er werd in haar familie zelden of nooit over
gesproken. Chinezen kijken vooruit en zien niet om. Wat geweest is, is
geweest. Het zijn andere tijden nu.
En Hotel Banak Shol? Daar is kort na onze ontmoeting een laundry service
ingevoerd. En Ma Hui is twee jaar later de mijne geworden. We zijn binnenkort 40 jaar samen, met twee kinderen, een derde kleinkind op komst.