Een nieuwe huisgenoot

Door: Hetty Boonstra

De telefoon gaat. Schril klinkt het geluid door de stille kamer. Anna Ik schrik ervan. Ik ben  alleen thuis en zat te lezen. Enigszins verstoord sta ik op, loop  naar de telefoon en pak hem op.

‘Hallo’zeg ik.

‘Met mij’, klinkt het in mijn oor.

Het is Pieter. Zijn stem klinkt een beetje hol. Hij is op het station in Zwolle en wacht op de trein naar huis. Hij belt vanuit de telefooncel op het perron. Het is eind jaren 70 van de vorige eeuw en mobiele telefoons waren er toen nog niet.

‘Willen wij een klein zwart katje?’, vraagt Pieter een beetje opgewonden. ‘Er loopt hier een klein meisje rond. Huilend. Ze heeft een katje bij zich en vraagt aan iedereen: ‘wilt u alstublieft mijn katje?’

Het blijft even stil aan de telefoon. Dan zegt hij ‘Zal ik het meenemen?’

Ongeveer een jaar geleden hebben wij een poes van drie maanden oud uit het asiel gehaald. Al een poosje vonden wij dat er wel een tweede bij mocht. Liefst een zwarte, zo jong mogelijk. Mijn  antwoord was dus een volmondig ja.

Thuis gekomen vertelt Pieter dat het meisje uit een weeshuis kwam. Daar was een zwangere poes aan komen lopen, die er haar kleintjes kreeg. Poes en kroost moesten uit het weeshuis weg, maar het meisje had stiekem één poesje verstopt in de kast op haar kamer. Natuurlijk werd dat ontdekt. De leiding van het tehuis stuurde haar naar het politiebureau om daar het katje af te geven. Maar dat wilde het meisje niet. In plaats daarvan nam ze het mee naar het station, waar Pieter zich er tenslotte over ontfermde.

Wij noemden hun katje Pikje, omdat het pikzwart was. Maar omdat te veel mensen bij die naam heel andere gedachten hadden dan wij, veranderden we die naam later in Pipje of Pippetje.

Hoewel Pipje van het manlijk geslacht was, spraken wij spontaan af om het te hebben over ‘haar’ en ‘zij’. Dit uit protest tegen het gangbare taalgebruik dat vrouwen onzichtbaar maakt. Demonstratief deden wij dat nu maar eens andersom. Het was in de tijd van de tweede feministische golf. Wij studeerden allebei Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en waren nauw betrokken bij het allereerste begin van de vrouwenstudies taal- en literatuur, waar onder andere het seksisme in de Nederlandse taal ter discussie stond.

Toen Pipje bij ons in huis kwam was ze heel erg klein. Ze had nog blauwe ogen, plompe dikke poten en zo’n kort, puntig babypoezenstaartje. Ze voelde warm en zacht, maar wel sterk en gespierd. Ze was zeer bewegelijk. En spinnen kon ze als de beste. Eten trouwens ook. Onze nieuwe huisgenoot bleek een echte rover. Als ik lopend een boterham at, wat mijn gewoonte was, klom Pipje pijlsnel omhoog via de pijpen van mijn spijkerbroek in mijn trui, en had mijn boterham al te pakken voor ik in de gaten had wat er gebeurde. De arme Pipje had natuurlijk  veel te weinig gegeten daar in dat weeshuis, opgeborgen in de kast van een meisjeskamertje.

Het werd een ware strijd in huis. Wij gaven Pipje echt wel genoeg te eten, maar desondanks roofde het katje alles wat ze te pakken kon krijgen. Een boterham smeren en eten werd bijna onmogelijk. En koken kon alleen nog met de deuren dicht. In de gang, vlak achter de keukendeur zat Pipje dan te azen op een kans, om watervlug naar binnen te glippen en haar slag te slaan. Want de kookluchtjes die uit de keuken kwamen waren natuurlijk wel verleidelijk.

Pippetje bleek heel aanhankelijk. Toen ze wat ouder was gaf ze voortdurend kopjes en liep ze vaak met haar achterlijf tegen je benen aan, haar staart recht omhoog. Pipje vond het heerlijk om op schoot te zitten en geaaid te worden. En als ik in een stoel of op de bank zat, ging Pipje soms achter mijn hoofd zitten om met haar ruwe tongetje liefdevol mijn haren te wassen. Net alsof ik ook een poes was. En altijd maar spinnen. ’s Nachts nestelde Pipje zich in het holletje van mijn schouder, om zo, warm en ronkend samen met mij in slaap te vallen.

Omdat wij drie hoog woonden, kwam Pipje nooit buiten. Wel zat ze urenlang in de vensterbank gefascineerd te loeren naar de duiven op het balkon en in de boom voor het huis. Dan maakte ze, haar bek een beetje open, zachte ritmische geluidjes. En altijd zat ze in een heel alerte houding, zodat ze er op het juiste moment op af zou kunnen springen. Ze wist heus wel dat die duiven vanwege het glas onbereikbaar waren, maar dat mocht de pret niet drukken.

Na twee jaar verhuisden wij naar een huis met een tuin. Onze achtertuin grensde aan een grindpaadje met daarnaast een strook gras en een slootje. Aan de overkant van de sloot lag een braakliggend landje met verschillende soorten  bomen en struiken en op de grond hier en daar wat gras.

De allereerste keer dat Pipje naar buiten mocht, was dat niet alleen voor haar heel spannend, maar ook voor ons. Hoe zou ze het vinden? Waar zou ze naar toe gaan? Hoe ver zou ze durven? Toen Pieter de keukendeur open deed om Pipje voor het eerst naar buiten te laten, liep onze wildebras kordaat de tuin door, het tuinhek uit, het grondpaadje op en daar ging ze in het gras zitten met haar ogen verlekkerd gericht op een vogeltje dat een eindje verderop in het gras aan het scharrelen was. Eindelijk bevrijd van de glazen ruit die altijd in de weg gezeten had, nam Pipje een reuze sprong om die vogel wel eens even te vangen. Toen, een luide plons, veel gespetter en een razendsnelle spurt naar huis. De onervaren domoor had niet gezien dat een deel van het gras eigenlijk een sloot was, bedekt met eendenkroos.

Binnen hebben wij de kleddernatte avonturier eerst van het groene, stinkende kroos ontdaan en haar toen met een handdoek droog gewreven. Op schoot hebben we Pipje in een wollen trui warm gehouden, totdat de zwarte haartjes van haar vacht weer overeind stonden, waardoor ze haar eigen lichaamswarmte weer vast kon houden.

Zo nat hebben wij Pipje nooit meer gezien, hoewel die in de loop der jaren heel wat vogels en muizen heeft gevangen. Ons katje was niet alleen een veelvraat, maar ook een echte jager.

Wil je contact opnemen? Stuur een mail naar info@verhalenkaravaan.nl

De Verhalenkaravaan is een initiatief van de Bibliotheek Amstelland en komt mede tot stand dankzij de inbreng van de inwoners van Amstelland.