De hongerige wolf

Door: Bram van Straaten

Ooit lagen wij met zijn achten in het nest. Het rook er altijd zo heerlijk. Een geur van natte schoenen vermengd met warme zweterige lijfjes. Ja, wij hielden elkaar warm.Dat was maar goed ook, want ons nest stond in de tochtige, slecht verlichte stal vanboer Harms. Maar wat een feest was het om tikkertje te spelen in het stro. Gijs waseen meester in het verstoppen hierin. Als je goed keek dan pas zag je zijn natte zwarte neus net boven de gedorste graanhalmen uit steken. Natuurlijk doken wij dan meteen met twee of drie boven op hem. Mijn kaken zaten dan vaak om de nek van Gijs. Dat vond Gijs nooit zo leuk.

En toch kriebelde er iets. Nee, dit was niet een verdwaalde strohalm. Ik kon er mijn grijs, zilveren poot niet op leggen. Al mijn donker bruine broers en zusjes ware even groot en sterk, toch stak ik er altijd net boven uit. Ik was iets groter, sterker zelfs. Ook mijn etenslust was buitengewoon goed ontwikkeld. Ik hoefde maar ergens een druppeltje bloed in de stal te ruiken of ik was er als de kippen bij om mijn altijd knorrende maag te vullen. Je zou kunnen zeggen dat ik vaak honger had, zoals een wolf.

Op zich was dit heel raar. Wij kwamen uit een warm en goed nest en wij kregen van onze moeder altijd evenveel tijd om te zogen, het aantal likjes werd gelijk verdeeld en ook mochten we alle acht de wereld van deze stal ontdekken zoveel wij wilden. Veelzicht op de boze buitenwereld was er niet, op een groot dakraam na. Hier was eens inde zoveel tijd, in de donkere nachten, wel eens een hel witte ronde schijf te zien. Gek genoeg kreeg ik dan altijd de drang om te gaan zingen. Heel hard. Je begrijpt, hier waren mijn broertjes, zusjes en met name mijn slapende moeder niet van gediend. Meestal kreeg ik van mijn moeder een ferme pets te verduren in plaats van een goedkeurend applaus. Vreemd, want ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.

Inmiddels weet ik hoe de vork in de steel steekt. Boer Harms was tijdens het hooiengewoon op een wolven jong gestuit. Dat was ik, de vondeling. Eerst viel ik bijna nietop in de schuur tussen de andere herdershondjes. Later toen we op het erf mochten ravotten vielen mijn wolven streken des te meer op. Al snel werd ik het zwarte schaap van de roedel. Vandaar dat ik er al vroeg vandoor ging, op naar het grote donkere sprookjes bos.

In dit bos stuitte ik op een bonte pluimage van dieren die vreemd genoeg alle dezelfde taal spraken. Zo raadde Reinaert de vos mij aan om dieper het bos in te gaan. Daar had je immers de lekkerste geiten boutjes terwijl je hier slechts een paar miezerige kippetjes aantrof.

Dwalend door het dichte woud, moest ik wel erg lang lopen om een paar malse boutjes te ontdekken. Mijn maag knaagde er lustig op los waardoor ieder ander dier met een grote boog om mij heen liep. Langzaam begreep ik dat Reinaert mij op een fiks dwaalspoor had gezet. Plots stuitte ik op een open stuk in het dichte woud. Daar stond een alleraardigst huisje in de zon. De zwarte kap samen met de blinkende ramen waren te mooi om waar te zijn. De boeren voordeur stond open en een ballade van zang dwarrelden op de lichte wind mijn kant op. Meerdere jonge stemmen hoorde ik, welke aangemoedigd werden door één lieve volwassen stem. Het water liep mij likkebaardend door de mond. Wat een trouvaille, een heel geitengezin.

Maar wat zag mijn gulzig oog daar gebeuren? De moeder geit sprak in de deuropening de meute toe, waarop zij zich omdraaide en met een rieten mandje om de poot vertrok. Zij wandelde op het geplaveide pad naar de andere kant van het bos. De deursloot achter haar terwijl het jonge gelukkige gezang door de schoorsteen nog steeds mijn kant opkwam. Ik telde mijn knopen en probeerde een beslissing te nemen. Of de zware houten voordeur inblazen of een list bedenken. Ik besloot mijn schaapskleren-vermomming te gebruiken. Langzaam sloop ik op de voordeur af, terwijl ik de ramen probeerde te vermijden. Met mijn poot klopte ik lichtjes op de voordeur. Het gezang viel plotsklaps stil. Het duurde even voordat een er een antwoord kwam: ‘Goedemiddag, wie is daar?’ ‘Och ik ben het maar, oom Ferdinand’ antwoordde ik. ‘Wij hebben helemaal geen oom Ferdinand.’ Tegelijkertijd zwaaide het bovenste helft van de voordeur open en keek ik in de commerciële ogen van een jonge geit, gekleed in een geel schort met op zijn hoofd een bijpassend petje. ‘Goedemorgen mijnheer Ferdinand, mag ik uw bestelling opnemen?’ Verbouwereerd stond ik met mijn bek vol scherpe glinsterende tanden naar lucht te happen. In mijn ooghoek zie ik het grote bord boven deur hangen. MacGeit, altijd vers bereid. ‘Mag ik u attent maken op onze aanbieding van de dag: onbeperkt spareribs van het spit, zoveel u maar wilt’. Mijn wolvenbrein moest even schakelen. Wat als ik nu dat varken van het spit oppeuzel met een paar lekkere geitjes als toetje. Andersom kon niet want dan was er niemand om mij te serveren. ‘Weet je wat, doe mij die spareribs maar.’ ‘Als u even om ons huisje loopt dan kunt u heerlijk in onze biergarten een plaatsje zoeken.’

En zo geschieden het. In de tuin heb ik heerlijk in het zonnetje mijzelf een ongans gegeten aan het gebraden vlees van het spit. Er was zoveel dat ik binnen een korte tijd mijn hongerige beuk vol had gegeten. De geitjes liepen af en aan met schalen vol.Wat een goede eettent was dit. Mijn hele slechte idee om de geitjes op te eten was als sneeuw voor de zon verdwenen. Toen ik de rekening onder ogen kreeg las ik de volgende zin: eet zoveel u wilt, uw eetlust wordt hier nimmer verspild.

Nog vele jaren erna ben ik een graag geziene gast van MacGeit. Zolang zij zo heerlijk voor mij bleven bakken en braden zou ik wel heel dom zijn om deze familie op mijn menu te zetten.

Wil je contact opnemen? Stuur een mail naar info@verhalenkaravaan.nl

De Verhalenkaravaan is een initiatief van de Bibliotheek Amstelland en komt mede tot stand dankzij de inbreng van de inwoners van Amstelland.