Hij was het park nog niet in gewandeld, het piepende hek gesloten of hij voelde al weldadige rust. Sinds de dood van zijn vrouw was slapen een drama. Zodra het licht werd vluchtte hij naar zijn domein: het park. In het begin had hij nog een boek meegenomen want hij geneerde zich wel. Wat zullen de mensen wel niet denken: ‘Wat doet een oude man zo vroeg in een park?’ Van lezen kwam niet veel, hij luisterde liever naar de vogelgeluiden, naar de wind, keek naar de wolken, naar de optrekkende mist, de opkomende zon. Gaandeweg ontdekte hij een soort van patroon, eerst kwamen de hondenuitlaters, dan de trimmers, na de klok van 8.30 uur kwamen de peuters met oppas oma’s en opa’s.
Hij genot van de onbevangenheid van de peuters, vooral dat meisje met dat wortelrode haar, haar sprekende blauwe ogen. Spontaan was zij naast hem op de bank geklommen. Ze babbelde honderduit tegen haar pop. Stiekem luisterde hij, uit zijn ooghoeken zag hoe zij haar pop de fles en voorzichtige klopjes op haar rug gaf. Hoorde hij daar nou een boertje? Met een doekje maakte het meisje het baby-mondje schoon. Zo zorgvuldig en zo voorzichtig, het raakte hem, kreeg prikkende ogen. Zijn huwelijk kinderloos gebleven.
Heel bewust had hij zich afzijdig gehouden: “me too”, ja, hij las de krant en keek naar het nieuws. ‘Carrie, kom je mee?, we moeten je broertje van school halen’. En weg was zijn gezelschap, plots voelde hij zich eenzaam, een soort van naaktheid. Maar… hij wist haar naam. ‘Carrie!’. Hij voelde zichzelf opveren uit zijn weggedoken houding. Blijdschap overrompelde hem.
Anders voelde hij zich bij het opstaan stram, deed hij een paar voorzichtige kniebuigingen, nu zette hij ferme stappen richting huis. Het stille huis was zelfs minder stil, ging op de bank zitten met de foto van zijn Annie. Voor hij het zelf door had was hij tegen Annie gaan praten. Hij vertelde over de ontmoeting in het park. ‘Jaloers, ja Annie, ik ben jaloers’. Hij schrok van zijn eigen stem, ging rechtop zitten, keek om zich heen. Nee, niemand had hem gehoord.
De volgende dag kon hij niet naar het park, hij had een afspraak in het ziekenhuis (even had hij overwogen om die af te zeggen). Die middag stapte hij toch verwachtingsvol het park binnen, ging op ‘zijn’ bankje zitten. Geen trimmers, geen hondenuitlaters, en geen Carrie.
Hij ergerde zich aan de ellendige wind, aan de vogels. De regen ervaarde hij als een zegen. Hij dompelde zich helemaal onder in zijn verdriet.
‘Hij ligt er niet, mama!’ en gelijk hoorde hij harde huilende snikken, dikke tranen rolden over haar wangen. Het was Carrie, wat fijn. Carrie was gekomen!
‘Heeft u hier een pop gevonden, meneer?’, vroeg de vrouw (moeder, oma?).
‘Nee, echt niet, ik zit hier net’.
‘Een ander kindje zal haar hebben meegenomen en ze zullen echt wel goed voor haar zorgen, lieverd’, opperde de moeder/oma.
‘Maar ik wil Betty, Betty terug hebben’. Carrie liet goed van zich horen. Joop keek met bewondering naar de moeder (oma?). Wat een geduld.
‘Ik blijf hier’, Carrie sloeg haar armen over elkaar. Vastberaden stond ze daar. ‘Kom op dame, we gaan naar huis, morgen is Betty vast en zeker terug’.
‘Nou lieverd, pop Betty, morgen vinden we haar, kom op, we moeten nodig naar huis, we gaan lekker eten’.
Een langgerekt Neeeeeeeeeeeeeeee, mam!, echt niet!’
‘Zal ik naar Betty gaan zoeken?’ Ik had het er zomaar uit!
Carrie en haar moeder draaiden zich om. Een beetje onhandig spreidde ik mijn armen, trok mijn schouders omhoog en keek vragend naar de moeder. Knipoogde naar haar: ‘je weet maar nooit’, fluisterde ik geheimzinnig.
‘Kom morgenochtend maar de park, ik weet zeker dat er dan een verrassing voor je is’.
‘Nou, je hoort het Carrie: deze lieve opa gaat ons en Betty helpen’.
Schoorvoetend en steeds omkijkend liet Carrie zich door haar moeder voorttrekken. Een kleine handzwaai kon er niet van af.
Ze waren nog niet uit het zicht of hij zag in dat hij zichzelf in de nesten had gewerkt. Het woord OPA galmde in zijn hoofd, hij mocht en wilde haar niet teleurstellen. Waar moest hij gaan zoeken….???
Hij was gelijk naar een speelgoedwinkel gegaan. Een nieuwe pop kopen is gemakkelijk maar een zelfde pop? ?… ‘onmogelijk’ stelde hij vast. In de winkel had hij een pop gezien met prinsessen kleertjes en een pop in klederdracht. De pop in klederdracht misschien?
Thuisgekomen brak het zweet hem uit. Rusteloos ijsbeerde hij door zijn huis. Annie zou zeker een oplossing weten.’ Zet eerst de dingen op een rijtje’, zou haar advies zijn.
‘Rust en kalmte kan je redde, Joop’, ook zo’n gezegde van haar.
De klok sloeg: half twee al? Lunchtijd en hij had niet eens honger. Zag hij dat wel goed? Waar blijft de tijd!! TIJD, dat was het TIJD, hij moest tijd winnen.
Zijn fantasie ging op de loop: ik ga Carrie brieven schrijven. Pop Betty schrijft mij brieven die ik aan Carrie voorlees. Gelijk zette hij de daad bij het woord.
Pop Betty schreef:’ Hoi Carrie, ik mis je echt wel maar er wordt goed voor me gezorgd. Ik ben een dagje naar de dierentuin geweest, heb aapjes en giraffen gezien en poffertjes gegeten. Lekker jôh. Tot gauw en liefs, Betty!’
Joop ging die avond bijtijds naar bed, ging verwachtingsvol naar het park. Van grote afstand zag hij de vragende ogen van Carrie al. “Nee, geen pop gevonden maar wel een brief!’ Even vermoedde Joop dat Carrie het op een huilen zetten maar moeder pakte het pedagogisch op. ‘Carrie is toch een beetje in onze buurt. Zij is vakantie aan het vieren en dat is toch fijn voor haar?’ En zei Joop, ‘misschien komt er morgen wéér een brief, wie weet’
Bedachtzaam pakte Carrie de brief en liep aan de hand van moeders weg!
‘Nou, Opa tot morgen dan maar,’ knipoogde de moeder.
Al wandelend naar huis bedacht hij de volgende brief.
‘Hoi Carrie, heb je mijn brief gekregen? Ik hoop van wel. Gister ben ik in een stadje geweest waar het niet lekker rook. Ik kreeg andere kleren aan en een stom wit kapje op mijn hoofd en toen ging ik op de foto. Stom allemaal maar ik kreeg wel een ijsje! Dag Betty’.
De volgende morgen rende Carrie al op hem af, trok bijna de brief uit zijn handen.
Ze had heel aandachtig geluisterd. ‘Klederdracht? Daar wil IK niet naar toe. Ik wil geen wit kapje’, protesteerde Carrie. ‘Rustig meisje, dan gaan we toch niet, ga jij maar naar het klimrek daar’, sommeerde haar moeder.
‘Morgen weer een brief? ’t Werkt echt wel, opa’.
‘Nee’, fluisterde Joop geheimzinnig, ‘geen brief maar een pop…’
Ook de volgende ochtend kwam Carrie aangehold. Joop spreidde zijn lege handen maar al snel gaf hij Carrie een pakketje, rap trok ze het papier eraf en de pop in klederdracht kwam tevoorschijn. Dit is mijn Betty niet!’. met arm gestrekt armpjes hield zij de nieuwe pop ver van zich af. ‘Ze ruikt niet ‘Betty’.
“Opa wil je de nieuwe kleren van Betty laten zien. Vind je dat niet lief? Dit is niet jouw Betty maar jullie vast weer vriendjes met elkaar worden’, zei de moeder. Pop lag al op de grond, Carrie hield haar armpjes stijf over elkaar gevouwen. ‘Rode en vale zijn donderstralen’, dacht Joop. Onvermurwbaar bleef Carrie staan. De moeder en Joop keken elkaar wanhopig aan. Als standbeelden verstijfd schenen ze allebei te denken: ‘Hoe nu verder?’
Opeens die kreet: Betty, Betty! Uit hun hypnose wakker geschreeuwd, zagen ze Carrie met Betty in haar armen. Verwonderd keken ze rond en zagen nog net een peuter weglopen met in haar armen een pop gekleed in folkloristische kleertjes.
Joop en de moeder barsten in lachen uit, de tranen biggelden over hun wangen.
‘Ma-ham, ma-ham’, zij voelde de ongeduldige klopjes van haar dochter. Gaan we naar huis? Betty moet nodig naar slapen, hoor!’
Snel was het afscheid gekomen, hij stond er plots verloren bij.
‘Wij zien elkaar morgen weer?