Vriend Pieter zat al te wachten met een kop koffie voor zich in De Rode Leeuw aan het Damrak in Amsterdam. Bij het maken van deze afspraak zei hij dat hij een oude ansicht zou meenemen, die ik hem stuurde vanuit Groenland. Hij vond de kaart bij opruimen en vermoedde terecht dat ik het leuk zou vinden dit kleinood weer te zien.
Op tafel ligt de kaart, nou ja, kaart….een luchtpostenveloppe, met inhoud. Enigszins vergeeld en gesleten. Gefrankeerd, en met een poststempel uit augustus 1987. Tjonge, wat leuk om deze terug te zien. Ik herken mijn handschrift, iets veranderd in bijna veertig jaar.
Groenland is momenteel vaak in het nieuws en dat brengt mooie herinneringen aan de reis destijds. Vanuit Kopenhagen met een oude DC 8 van de US Air Force naar Thule Air Base. Tegenwoordig als Pituffik Space Base aangeduid. Een Amerikaanse basis. Onderweg zagen we ver onder ons in het blauw van de noordelijke Atlantische Oceaan het met sneeuw bedekte vulkanische eiland Jan Mayen.
Als niet-Amerikaanse burgers moesten we op de luchtmachtbasis direct dóór. Een helikopter voerde ons langs rotsige kusten en over een gedeeltelijk bevroren zee, en landde uiteindelijk pal naast het kerkhof van het eskimodorp Siorapaluk. ‘ Klein mooi zandstrand ‘, vertaald vanuit het Inuktitut. Hier woonden – en wonen ? – circa 60 inuit.
Ze stonden ons op te wachten. Mannen, vrouwen, kinderen. Gealarmeerd door het geluid van de helikopter. We mochten kamperen aan de rand van het dorp.
Al snel maakten we vrienden. Oshima was van Japanse origine, en verruilde een kantoorbaan met leven aan de rand van de wereld, als jager. Oshima sprak Engels, dat was handig. Kaunaq, een vriendelijke oude man, nodigde ons uit voor thee in zijn huisje. Zijn vrouw schoof toen we binnenkwamen enkele dode grote vissen aan de kant als ook delen van een zeehond. En dan was er Umaq, de chef van de winkel. Deze werd één keer per jaar bevoorraad door het Deense ‘ ship with the goods for this year ‘. In het dorp heel veel sledehonden, die stukken zeehond te eten kregen. Het gehuil van honderden honden…..
Siorapaluk had destijds één zendmast als draadloze verbinding met de wereld. Een dokter kon opgebeld worden die enkele dagen later per heli langskwam. De telefoon ging een keer toen wij in de winkel waren. Umaq nam op en zei: “ Siorapaluk “.
We reisden een paar dagen later per boot verder naar het noorden en kwamen terecht in de verlaten nederzetting Etah. Een ghosttown ver boven de poolcirkel. Hier schreef ik het kaartje naar vriend Pieter. Altijd helder daglicht in de zomermaanden. Poolwilgjes van enkele centimeters hoog. Een paar giervalken broedde in de rotsen en liet zich horen met ijle kreten. Op zee dreven tientallen ijsbergen, die geregeld met veel geruis in elkaar stortten of omkieperden.
Ver weg vervagen horizon, zee, eilanden, ijsvlaktes, nevelslierten. Een sliert alkjes vliegt voorbij.